Bron: www.gezondheid.be

De slaap van een pasgeboren kind lijkt helemaal niet op die van volwassenen. Hij kent totaal andere patronen en ondergaat tijdens het eerste levensjaar aanzienlijke veranderingen. Het is dan ook onzinnig om slaapproblemen bij kinderen op te lossen vanuit onze eigen slaapervaringen als volwassene. De meeste slaapproblemen lossen zich bovendien spontaan op met de jaren. Men moet zich dus niet al te snel ongerust maken.

Het slaappatroon van kinderen kent tijdens de eerste levensjaren belangrijke wijzigingen. En net zoals bij volwassenen zijn er ook bij kinderen langslapers, kortslapers, kinderen die snel een duidelijk dag-nachtritme ontwikkelen, kinderen bij wie dit lang uitblijft, enz.

Een kind van 1 tot 3 maanden slaapt zo’n 19 tot 20 uur per dag. De slaap is nog licht en wordt gemakkelijk verstoord, bv. door lawaai of eigen behoeften, zoals honger. De slaap bestaat uit vele korte slaapcyclussen, waarbij de baby vanuit de lichte actieve slaap even wat dieper wegzakt en vervolgens weer naar de lichte slaap weerkeert. Geleidelijk aan evolueert het kind naar een slaappatroon met meer diepere slaapfasen.
De onregelmatige slaapcyclus van de baby verschilt dus totaal van het volwassen slaappatroon dat een duidelijke structuur heeft en meerdere fasen van diepe slaap vertoont. Het is dan ook onzinnig om het kind in deze fase ‘enkele nachten te laten doorwenen’ om te proberen het zo in een volwassen slaappatroon te dwingen.

Het dag- en nachtritme, waarbij het kind ‘s nachts 5 tot 6 uur doorslaapt, ontwikkelt zich slechts geleidelijk. Rond 3 maanden hebben zo’n 7 op 10 baby’s dit slaappatroon verworven. Rond 6 maanden heeft meer dan 8 op 10 baby’s reeds een duidelijk dag-nachtritme verworven. Rond de leeftijd van 1 jaar heeft 1 op 10 kinderen echter nog steeds geen regelmatig dag-nachtritme.
Zeer frequente en vooral onregelmatige wisselingen van omgeving of verzorgers kunnen verhinderen dat het kind vaste ritmes ontwikkelt. Hierdoor kan het langer een onregelmatig slaappatroon blijven vertonen. Hetzelfde kan ook gebeuren als de omgeving waarin het kind slaapt lawaaierig is en lang verlicht blijft.
Ongeveer de helft van de kinderen wordt in deze periode nog ’s nachts wakker, maar is tevreden met zichzelf en is in staat om zelf, zonder de hulp van de ouders opnieuw in te slapen. Het is echter wel belangrijk dat het rustig en donker is in de slaapkamer zodat het kind niet geprikkeld wordt en daardoor wakker blijft.

zie ook artikel : Kolieken bij de baby

Het kind wordt steeds mobieler. Het leert kruipen, stappen en lopen zodat zijn leefruimte op korte tijd enorm vergroot. Veel kinderen zijn in deze fase erg ondernemend en zeer levenslustig. Het is een periode van enorme ontdekkingen. Gaan slapen betekent echter stoppen met alle activiteiten en dat vinden ze vaak maar niets.
Bovendien ontdekt het kind in deze periode ook zijn eigen zelfstandigheid (en het woordje ‘neen’). Het kind kan zeer egocentrisch en eisend worden. Het wil bv. ’s avonds niet naar bed omdat het groot wil zijn en net hetzelfde wil doen als de ouders, enz.
De behoefte om overdag te dutten neemt af, maar dit kan sterk uiteenlopen.
Sommige kinderen willen zich niet overgeven aan het controleverlies tijdens de slaap (waaraan ze zich schijnbaar passief moeten overleveren). Ze kunnen ook bang zijn om de nieuw ontdekte wereld te verliezen. Vooral op het moment van inslapen zelf, het moment waarop het kind dus de controle verliest, kunnen sommige kleuters zeer paniekerig reageren.

Soms kan de angst voor het controleverlies vergroot worden door facetten van de opvoeding die niets met de slaapgewoonten te maken hebben, zoals bv. een te strenge zindelijkheidstraining.

Rituelen kunnen de overgang naar het slapen vergemakkelijken en mogelijke angsten helpen verminderen. Het vaste stramien van het slaapritueel, pyama aan, tanden poetsen, voorlezen, wat vertellen, een zachte knuffel, enz., doorbreekt de eigengereidheid, helpt het kind ‘afkoelen’, enz.
Sommige kinderen blijven het echter moeilijk hebben om in te slapen. Vaak zijn het kinderen die zeer intensief bezig zijn en zo geboeid blijven door alles wat ze overdag meemaken dat ze er moeilijk afstand van kunnen nemen. De leefwereld van het kind breidt zich immers gestaag uit, in deze periode vooral naar de sociale wereld buiten het gezin. Het kind gaat naar school, maakt vrienden, neemt zelfstandig deel aan allerhande activiteiten, bv. jeugdvereniging, voetbalploeg, enz.
Angsten, problemen of onzekerheden over die nieuwe sociale omgevingen kunnen echter ook voor inslaapmoeilijkheden zorgen.

Tijdens de puberteit neemt de behoefte aan slaap tijdelijk toe. Pubers zijn dikwijls moe, slapen graag uit, liggen vaak overdag op bed en sukkelen daarbij in slaap, enz.
Deze grotere behoefte aan slaap is vermoedelijk het gevolg van de turbulente veranderingen waaraan jongeren op deze leeftijd blootstaan. Hun lichaam is in volle ontwikkeling en de school en de maatschappij stellen aanzienlijke eisen. Zo moeten bv. de eerste keuzes in verband met het toekomstig leven gemaakt worden.
Wat ook kan bijdragen, is het feit dat jongeren op deze leeftijd beginnen uitgaan, daarbij vaak laat thuiskomen, laat gaan slapen en uiteindelijk veel minder slapen dan voorheen. Soms kunnen of mogen ze niet uitslapen, bv. als ze naar school moeten. Daardoor kan er een slaaptekort ontstaan, wat de behoefte aan slaap nog doet toenemen.
Pubers gedragen zich doorgaans ook reeds zeer zelfstandig en krijgen vaak ook wat meer vrijheid. Eventuele slaapstoornissen vallen de ouders daardoor niet altijd snel op. Laat in bed blijven lezen, lang uitslapen, overdag wat dutten, enz., kunnen slaapstoornissen verdoezelen.
Door de typische heftige reacties kunnen pubers problemen anderzijds ook groter maken dan ze zijn, waardoor een nachtje slecht slapen opgeblazen kan worden tot ‘ik slaap nooit goed’.

Het slaappatroon gaat doorheen de adolescentie steeds meer over in een volwassen slaappatroon. De jonge volwassene krijgt beter zicht op zijn individuele slaapbehoefte. Hij panikeert minder vlug als er al eens een nachtje wat misgaat.