Bron: www.e-gezondheid.be

We hebben allemaal de neiging om vet uit onze voeding te bannen. Nochtans speelt vet een cruciale rol in onze stofwisseling. Zonder vet kunnen we zelfs niet leven… Een woordje uitleg.

Vet is onmisbaar om te kunnen functioneren

We hebben allemaal vet (of lipiden) nodig voor de goede werking van  ons lichaam. Vet komt op diverse niveaus tussenbeide en speelt er een cruciale rol:

  • het maakt deel uit van de bouwstoffen van de celmembranen; zonder vet kunnen die membranen niet behoorlijk functioneren;
  • het levert de energie die onze cellen en ons lichaam nodig hebben om te werken;
  • het stuurt de productie van bepaalde hormonale (geslachtshormonen) en ontstekingswerende boodschappers.

Vetten: externe aanvoer is cruciaal

Het lichaam kan weliswaar zelf vetten aanmaken, maar slechts bepaalde types. De essentiële vetzuren kan het bijvoorbeeld niet aanmaken. Die kunnen we dus alleen uit onze voeding halen (plantaardige oliën, vette vis, enz.). En we hebben die vetten nodig. Sommige helpen bij de aanmaak van stoffen die een rol spelen in het beheer en de controle van ontstekingsfenomenen en verschijnselen van het afweersysteem. Zonder die vetten kunnen we ons niet behoorlijk verdedigen. Om dezelfde reden is DHA, een vetzuur uit de groep van de omega 3-vetten, heel belangrijk voor de ontwikkeling van de hersenen.

Wat gebeurt er met de vetten in ons lichaam?

Meteen na de opname wordt het vet in de darmen afgebroken en naar de bloedbaan geleid, die ze dan verder over het lichaam verdeelt. De cellen die vet nodig hebben, kunnen zo de gewenste hoeveelheid afnemen. Zodra die cellen vet hebben opgenomen, kan het vet zijn rol of rollen gaan vervullen: energie leveren, antistoffen aanmaken, celmembranen herstellen, enz.

Vetopslag is noodzakelijk!

Het vet dat we via onze voeding binnenkrijgen, wordt niet altijd onmiddellijk door onze cellen gebruikt. Soms wordt het opgeslagen in het vetweefsel. Op die manier heeft het lichaam een vetvoorraad en dus energie bij de hand voor de dagen dat we te weinig of geen vet binnenkrijgen.

Naast zijn rol van energieopslagplaats speelt het vetweefsel ook een beschermende rol voor de organen. Zo zit er vet rond de nieren, de ingewanden en het hart! Het vet vangt de schokken of stoten op die we al eens incasseren, het werkt als een soort isolatielaag en het vormt een dichtbijgelegen energiebron waar de nieren en andere organen in noodgevallen snel uit kunnen putten. Als een marathonloper bijvoorbeeld aan de slag is, zal het vet dat in de vetcellen rond zijn spieren en hart opgeslagen zit hem de energie leveren die hij voor die inspanning nodig heeft. Maar te veel vet is ook niet goed. Als het volume vetweefsel rond de organen te groot is, kunnen de organen niet behoorlijk werken.

Beheer van de vetvoorraden

Om een idee te hebben van hoe het gesteld is met die permanente voorraden, produceert het vetweefsel het hormoon leptine. Dat vethormoon signaleert aan de hersenen hoever het met de reserves staat: hoe groter de hoeveelheid geproduceerde leptine, hoe groter het volume vetweefsel. Als een bepaalde drempel van leptine overschreden wordt, weten de hersenen dat er voldoende voorraad is en zetten ze ons aan om te stoppen met etenen energie te verbruiken. Jammer genoeg heeft dit proces zijn grenzen: voorbij een bepaalde drempel – en die verschilt van de ene persoon tot de andere – worden de hersenen ongevoelig voor leptine. Er mag dan nog zo veel leptine geproduceerd worden, de hersenen reageren niet en sturen ons niet langer het commando om te stoppen met eten.

Artikel gepubliceerd door Elise Dubuisson, gezondheidsjournaliste op 10/02/2016

Bronnen: Patrice D. Cani, prof. UCL, FNRS en WELBIO onderzoeker, Louvain Drug Research Institute, UCL